Weken gaan voorbij en ik denk slechts eenmaal aan die wonderschone vreemdeling die zomaar mijn ouderlijk huis voorbij liep. Mijn rationele kant tracht mijzelf wijs te maken dat hij te cool moest zijn om thuis te horen in dat kleine Frieze dorpje waar we zonodig naar toe waren verhuisd en onderwijl maakt mijn hart een klein sprongetje als ik die hemelse ogen weer voor mij zie. Hard schud ik mijn hoofd als ware ik zo het pluizige gevoel van binnen uit mijn systeem kan doen laten verdwijnen. Starend naar de roze blozende witte bloesem in de appelboom achterin onze tuin, weet ik opeens hoe het rijmpje moet eindigen die al een tijdje in mijn hoofd woedt.

‘Waarom kijk je zo naar me?’, vraagt de man met een steelse grijns. ‘Het is bizar, ronduit bizar dit.’ ‘Dat mag je wel even toelichten, freule, want jouw geschrokken doch verlangende blik maakt me bezorgd en nieuwsgierig tegelijkertijd.’ Een dame van verderop de gang kucht overdreven hard, een collega van een andere afdeling grinnikt en zegt tegen de eerste: ‘misschien moeten we ze wat privacy gunnen’, terwijl hij zijn sjekkie in de grote industriële asbak onthoofd. De vrouw klakt geïrriteerd met haar tong, haalt gelaten haar schouders op, gooit haar half opgerookte sigaret richting de verzameling gemutileerde stompjes en houdt demonstratief de glazen deur van het rookhok open zodat haar collega haar naar buiten kan volgen. De deur achter hen verraad kort de rumoer van het kantoor waar we ons bevinden, maar al gauw is het stil. ‘Jij bent wel een vreemde, hè?’, vraagt hij retorisch, ‘nou vooruit, ik wacht op een mooi verhaal’. Om zijn woorden extra kracht bij te zetten, leunt hij achterover, slingert zijn voeten op de rand van de asbak, handen achter zijn hoofd en sigaar in een uitdagende grijns geklemd. ‘Bizar!’, breng ik weer uit. ‘Nou meneer, u doet mij verbijsterend veel denken aan een man waar ik lang geleden mijn hart aan ben verloren, en vrees ik dat ik heimelijk verliefd op u ga worden’. Zijn opkomende blos voel ik in mijn buik en ik denk zuchtend terug aan die blauwe ogen.

De ogen van mijn aanstaande echtgenoot zijn blauw en ik probeer uit alle macht mijzelf er in te verliezen. Wanneer jouw ogen als een oceaan is, groots en magistraal schitterend vlak voor zonsondergang en ik er in kan zwemmen tot mijn laatste ademteug, zijn de zijne aardige badkamer tegeltjes waar het warme neergeslagen vocht aangenaam voelt onder mijn blote voeten.

Mijn liefde voor hem is echt, maar de liefde tussen ons niet toereikend. Ik zocht een manier om te ontsnappen. Weg van mijn hopeloze liefde voor jou, ver weg van mijn hopeloze thuis. Op weg naar iets om de leegte in mijn hart te vullen, iemand om lief te hebben. Het is me maar deels gelukt.

De ogen van jouw vreemde dubbelganger zijn blauw en ik probeer er in te lezen waarom het mooie blauw dof is van de zeeën van verdriet en of ik mijzelf er in durf te verliezen. Ik herken zoveel van jou in hem, genoeg om mijn hart enigszins op hol te brengen. Is het genoeg?

Delusie begint met een idee, maar is het idee van jou sterk genoeg om aan de waanzin van liefde te beginnen? Wie houd ik voor de gek?