SMK136 | Robin Stroop – Atypischeverhouding II

Weken gaan voorbij en ik denk slechts eenmaal aan die wonderschone vreemdeling die zomaar mijn ouderlijk huis voorbij liep. Mijn rationele kant tracht mijzelf wijs te maken dat hij te cool moest zijn om thuis te horen in dat kleine Frieze dorpje waar we zonodig naar toe waren verhuisd en onderwijl maakt mijn hart een klein sprongetje als ik die hemelse ogen weer voor mij zie. Hard schud ik mijn hoofd als ware ik zo het pluizige gevoel van binnen uit mijn systeem kan doen laten verdwijnen. Starend naar de roze blozende witte bloesem in de appelboom achterin onze tuin, weet ik opeens hoe het rijmpje moet eindigen die al een tijdje in mijn hoofd woedt.

‘Waarom kijk je zo naar me?’, vraagt de man met een steelse grijns. ‘Het is bizar, ronduit bizar dit.’ ‘Dat mag je wel even toelichten, freule, want jouw geschrokken doch verlangende blik maakt me bezorgd en nieuwsgierig tegelijkertijd.’ Een dame van verderop de gang kucht overdreven hard, een collega van een andere afdeling grinnikt en zegt tegen de eerste: ‘misschien moeten we ze wat privacy gunnen’, terwijl hij zijn sjekkie in de grote industriële asbak onthoofd. De vrouw klakt geïrriteerd met haar tong, haalt gelaten haar schouders op, gooit haar half opgerookte sigaret richting de verzameling gemutileerde stompjes en houdt demonstratief de glazen deur van het rookhok open zodat haar collega haar naar buiten kan volgen. De deur achter hen verraad kort de rumoer van het kantoor waar we ons bevinden, maar al gauw is het stil. ‘Jij bent wel een vreemde, hè?’, vraagt hij retorisch, ‘nou vooruit, ik wacht op een mooi verhaal’. Om zijn woorden extra kracht bij te zetten, leunt hij achterover, slingert zijn voeten op de rand van de asbak, handen achter zijn hoofd en sigaar in een uitdagende grijns geklemd. ‘Bizar!’, breng ik weer uit. ‘Nou meneer, u doet mij verbijsterend veel denken aan een man waar ik lang geleden mijn hart aan ben verloren, en vrees ik dat ik heimelijk verliefd op u ga worden’. Zijn opkomende blos voel ik in mijn buik en ik denk zuchtend terug aan die blauwe ogen.

De ogen van mijn aanstaande echtgenoot zijn blauw en ik probeer uit alle macht mijzelf er in te verliezen. Wanneer jouw ogen als een oceaan is, groots en magistraal schitterend vlak voor zonsondergang en ik er in kan zwemmen tot mijn laatste ademteug, zijn de zijne aardige badkamer tegeltjes waar het warme neergeslagen vocht aangenaam voelt onder mijn blote voeten.

Mijn liefde voor hem is echt, maar de liefde tussen ons niet toereikend. Ik zocht een manier om te ontsnappen. Weg van mijn hopeloze liefde voor jou, ver weg van mijn hopeloze thuis. Op weg naar iets om de leegte in mijn hart te vullen, iemand om lief te hebben. Het is me maar deels gelukt.

De ogen van jouw vreemde dubbelganger zijn blauw en ik probeer er in te lezen waarom het mooie blauw dof is van de zeeën van verdriet en of ik mijzelf er in durf te verliezen. Ik herken zoveel van jou in hem, genoeg om mijn hart enigszins op hol te brengen. Is het genoeg?

Delusie begint met een idee, maar is het idee van jou sterk genoeg om aan de waanzin van liefde te beginnen? Wie houd ik voor de gek?

SMK074 – Robin Stroop – Een atypische verhouding

‘Kijk nou wat een lelijke auto. Kijk!’ Half in gedachte bij de leuke jongen uit de bus, speurt mijn blik in de richting van de ernstig wijzende vinger van mijn beste vriendin naast me in de vensterbank. Ergens zie ik de bruine metallic sportauto van voor mijn eigen bouwjaar wel, maar de man die er van weg loopt eist alle aandacht op. Zijn vrolijke loop op Converse sneakers – welke volwassene loopt er in godsnaam op mijn favoriete voetwerk?! – de omgeslagen oude spijkerbroek, licht voorovergebogen schouders alsof hij vaak met handen achter de rug gevouwen het leven overdenkt tijdens het lopen en donker hoog achterover gekamd haar. ‘Wow..’, zucht ik. Hij draait zich nog een keer om alvorens voorgoed om de hoek te verdwijnen en even ben ik bang dat hij mijn priemende nieuwsgierige blik kon voelen, maar zeer waarschijnlijk wil hij slechts gluren of hij de deuren van zijn auto wel op slot heeft gedaan. Gelijk daarna zie ik zijn ogen, het meest helblauw wat ik ooit zag in twee kijkers en fantaseerde in een flits dat zijn genen sterker zouden zijn dan de mijne in onze fraaie donkerharige blauwogige kindertjes. Deze eigenzinnige nozem ontluikt met slechts een aanblik de bloemstructuur in mijn 14-jarige eierstokken. ‘Wow..’
‘Hij is wel een vreemde zeg.’ ‘Oh ja, zucht ik, mijn vreemdeling in een poepbruine auto.’

een atypische verhouding - robin stroop

‘…Vind je me raar, lieve Vreemdeling? Je moet me vast die eerste keer vreemd hebben gevonden, zo een onorthodox jong meisje met mijn korte rode haar, paarse hippierok en lange bruine leren jas. Vind je het gek dat ik sindsdien verliefd op je ben? Zonder je te kennen? Geloof je in liefde op het eerste gezicht? In mijn herinnering heb je een romantische inborst, dus daar moet je wel in geloven. …Ik moet bekennen dat ik al een jaar niet meer aan je heb gedacht en vannacht was je opeens een figurant in mijn dromen. Op het moment dat ik je herkende werd ik wakker, en is dat sluimerende wat deze idioterie ook is, weer even heel actief. …Ben ik een pathetisch stuk vreten, Vreemdeling? Misschien moet ik je maar gewoon vergeten. Gewoon, zegt ze. …Ik ga trouwen overigens, haha En in plaats van fantaseren over mijn jurk of wat voor bloemen ik wil wegmikken aan het eind van die bombarie, droom ik over jou. Pathetisch dekt wel aardig de lading denk ik. Ga maar weer eens douchen en put troost uit de gedachte dat onder diens stralen de enige plek te vinden is waar mijn tranen niet opvallen.’

Nog voor ik mijn ogen opendeed, ze zou blootstellen aan de orde van de dag en de realiteit in haar naaktheid moeten aanvaarden, luisterde ik naar de duiven buiten, de stad die langzaam eveneens ontwaakte, gerommel op een trap elders in het pand, maar vooral naar jouw ademhaling. Jij sliep niet vast, maar was nog niet bij bewuste. Je beenhaar kriebelde mijn bovenbenen, de holte van jouw knieën perfect rondom de uitstekende delen van de mijne. De restanten sigaren- en sigarettenrook die we de avond ervoor al pratend het appartement in hadden geblazen prikkelde als nostalgisch weemoed. Hoe dramatisch. Ik zuchtte diep en begroef mijn neus voorzichtig iets dieper in de grens van jouw schouderblad. Nooit heb ik geweten hoe je rook, ik hield al jaren vast aan het archief vol geuren die me keer op keer aan je deden denken. Iets wat tussen een zucht en een kreun in zat kon ik niet onderdrukken, en terwijl ik opnieuw inademde na die overdreven expiratie, bewoog je net voldoende om jouw geur niet langer verborgen voor me te houden. Katoen bereikte mijn neus, onderliggend die zeer subtiele odeur. Een overweldigend gevoel van thuis walste als een onbesuisde golf door mijn lijf en brak op de realisatie dat jouw thuis nooit de mijne zal zijn.

Back to top